Skip to main content

«  Bekijk onze kennisbank

De Uber-uitspraak | Wezen gaat voor schijn

5 maart 2025

2 min leestijd

Door Ed Spiering

 

Een soortgelijk oordeel zagen we eerder in de Deliveroo zaak. Ook al een high profile zaak waarin eveneens de pretentie speelde dat een nieuwe app een streep haalt door het arbeidsrecht. Oldskool. Achterhaald door de smartphone. Niet bestand tegen de platformeconomie. Tja. Dat het zover nog lang niet is laat de Uber uitspraak, en eerder dus ook al de Deliveroo zaak zien.

De uitkomst van beide zaken is invoelbaar juist. Wie wel eens een praatje heeft aangeknoopt met een fietskoerier, of wie via de app een Uber rit heeft besteld, zal niet snel de indruk hebben gekregen met een doorgewinterde zelfstandige van doen te hebben. Op zijn best zijn het schijnzelfstandigen. Die schijn kan niet worden weggenomen door een dikke laag papier. Uitgangspunt is het wezen van de arbeidsrelatie, of, zoals het adagium luidt: wezen gaat voor schijn.

Behalve de vaststelling dat de ‘nieuwe economie’ de oude nog niet blijkt te hebben vervangen bieden de Uber en Deliveroo zaken dus inhoudelijk niet veel nieuws onder de zon. Tenzij je in het sociale zekerheidsrecht zit. Waar voor arbeidsrechtjuristen het Burgerlijk Wetboek de maat der dingen is, kent het sociale zekerheidsrecht een overtreffende trap in het Zetelverdrag. Nederland wil zich al jaren profileren als hoofdzetel van internationale organisaties, groot en klein, en met Den Haag als gastheer. Veel EU, veel VN en een lange sliert ambassades. Er zitten er inmiddels genoeg om meerdere internationale scholen draaiende te houden.

Om het internationale organisaties aantrekkelijk te maken om zich in het Haagse te vestigen, garandeert Nederland zittende en komende organisaties een vergaande mate van onafhankelijkheid, onder meer door uitsluiting van het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid. Dan hoeven ze geen premies te betalen. Dat wordt vastgelegd in het Zetelverdrag en dat is naar zijn aard supra-nationaal recht. Met voorrang dus op grond van art. 94 van de Grondwet. Zo heeft het Gerechtshof Den Haag eerder dit jaar een vonnis gewezen over een ‘nine to five’ medewerker bij het ICC, het Internationaal Strafhof. Deze medewerker, in alles een werknemer, was om budgettaire redenen werkzaam op een constructie voor schijnzelfstandigen maar kreeg bij het Hof toch het lid op de neus. Voor het Nederlandse sociale zekerheidsrecht weegt zwaarder dat het Strafhof “om haar moverende reden” voor een schijnconstructie koos dan de feitelijke situatie.

 

Zo zie je maar. Heb je een duidelijke lijn over werknemerschap, is er op het terrein van sociale zekerheid weer een uitzondering.

Bron: ECLI:NL:RBAMS:2021:5029